God gaf Israël Kanaän door het in te nemen. Niemand mocht iets uit Kanaän van wat God verboden had voor zichzelf nemen (Deut2v34). Bij de intocht in Kanaän stal Achan van de buit en verborg dat in zijn tent. “Ik doe wat ik zelf wil, als ik het maar goed heb”. Toen ontstak de toorn van de HEEREN tegen de hele gemeenschap Israël. Het kwaad van Achan leeft in elk mensen hart (Joz22v20).
Doen wij uit een oprecht geloof naar Gods gebod goed, dan is dat een gave van God tot Zijn eer. Niemand is goed dan Eén, namelijk God (Markus10v18). Het innemen van Kanaän wordt verhinderd. Israel leidt verliezen. God is vertoornd. Israel is als de dood voor Gods toorn, hun hart versmelt als water. Jozua verootmoedigd zich als hun leidsman voor God. Werpt zich op zijn aangezicht voor de ark van de HEEREN. Tot de HEERE zegt: sta op, waarom ligt u neer op uw aangezicht? Het wenen moet het zaaien niet in de weg staan (Psalm126v6)
Achan wordt door Gods leiding door het lot aangewezen als de schuldige. De schuld wordt ontdekt, maar zij is nog niet beleden. Jozua dringt met bewogenheid bij Achan aan om zijn gehele schuld te belijden. Het ‘ja’ van de waarheid van de schuld, is nog niet met het ‘amen’ van het hart beleden. Achan belijdt: Het is waar, ik heb de HEERE, de God van Israël, gezondigd (Joz7v20). Met Achan eigenen wij ons toe wat van God is. Zijn schepping, wij en deze hele aarde, nemen wij voor ons zelf. “Als ik het maar goed heb”. Wij stelen en verbergen wat verboden is in ons huis én hart.
Achan met zijn gezin wordt gestenigd en hun lichamen met wat gestolen is wordt verbrand. Niet de voltrekking van het vonnis is van belang, maar dat de mens zijn schuld belijdt. “Mijn zoon beken”, zo sprak Jozua Achan aan. “Mijn zoon Absalom, mijn zoon Absalom! Och, dat ik voor u gestorven was: riep David zeer beroerd en wenend uit toen Absalom zonder zijn schuld te belijden gestorven was (2Sam18v33).
De verbrandde lichamen en gestolen spullen worden bedekt met een groten hoop stenen. Een blijvend teken wordt opgericht. Als teken van Gods ontferming in het ontdekken en belijden van de schuld, voor Zijn bescherming in doodsgevaar. In het dal van Achor, zo wordt de plaats waar de steenhoop ligt genoemd, het dal van grote beroerte. Israël was beroerd en bedroef door de overtreding en dood van Achan. God nam die schuld gunstig weg en gaf daarmee: Ik zal het dal van Achor maken tot een deur van hoop (Hosea2v14). Met de zonde van Achan riep Israël Gods toorn over zich. Met de zonde van Ananias en Safira riep de eerste christen gemeente uit de heidenen Gods toorn op. Nochtans… God maakt alles nieuw. Hij geeft verlossing van de schuld. In Zijn Zoon Jezus Christus straalt Zijn volle Licht van Zijn vriendelijk aangezicht ons toe!
Nu Jezus Christus Zijn leven heeft gegeven voor oprecht in Hem geloofd als Zijn verlosser kan er geen sprake meer zijn van steniging. In geen enkele vorm, ook niet in woorden of gedachten. Wij allen staan schuldig, maar die geloofd staat onder Gods ontferming en bescherming. Wie bedroefd is over een ander zijn overtreding, over zijn of haar falen, kan God alleen eren, door naast die ander zelf ook schuld belijden. Daar is geen wraak of vergelding, maar eigen schuld belijden. Eenmaal werd tot Jezus een vrouw gebracht in overspel gegrepen. Zij had met haar lichaam gestolen en moest naar Gods wet gestenigd worden. Men had haar steniging al voorbereidt. En daar sprak Jezus: Wie van u zonder is, werpt het eerst een steen op haar.
“En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. Hij is een verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de van de gehele wereld” (1Joh2v1-2).
Henk-Jan Koetsier