Heden* schreef me Hans Reinicke, dat mijn lieve vader Hans Luther, Zondag Exaudi (wezenzondag) 1 uur dit leven verlaten heeft.
Zijn dood heeft mij bedroefd gemaakt, want ik denk niet enkel aan den band des bloeds, doch ook aan zijn hartelijke liefde; door hem heeft mijn Schepper mij immers gegeven wat ik ben en wat ik bezit. En hoewel het mij troost, dat gene schrijft, dat mijn vader in het vast geloof op Christus zacht ontslapen is, zo heeft toch droefheid en de herinnering aan liefelijke gesprekken mijn hart ontroerd, zoodat de dood mij zelden zo hard is voorgekomen.
De rechtvaardige echter wordt weggenomen voor het kwade en komt tot vrede. Hoe vaak sterven wij, eer wij eenmaal voor goed sterven. Ik erf nu zijn naam en dit wil zeggen, dat ik nu de oudste Luther in mijn familie ben. Aan mij komt nu ook de beurt, zelfs het recht hem door den dood in het rijk van Christus te volgen, ’t geen Hij ons allen toestaan moge.
Nog te bedroefd, schrijf ik niet verder; want het is goed en volgens Gods wil, dat ik als zoon om zulk een vader treur, die mij overgaf aan den Vader der barmhartigheid en in ’t zweet zijns aanschijns mij zo opvoedde en vormde, dat ik geworden ben wat ik ben. Ik verheug er me zeer over, dat hij in dezen tijd heeft geleefd en het licht der Waarheid heeft mogen zien.
Geloofd zij God in al zijn werken en raadslagen in eeuwigheid. Amen!
*Dit bericht ontving Luther, toen hij zich in Coburg bevond den 5 Juni 1530. Hij nam aanstonds zijn psalmboek, ging in zijn studeerkamer en weende zo, dat hij den volgenden ochtend hoofdpijn had. Toen liet hij niets meer van zijn smart merken.